26/03/20 Koers is maar koers (Cycling.be)

Een dikke maand geleden was er nog geen vuiltje aan (of beter: in) de lucht, en verkneukelde ik mij al aan een veelbelovend wielerseizoen. Na de zege van Jasper Stuyven in de Omloop fantaseerde ik al scenario’s bij elkaar voor de grote koersen die eraan kwamen…

21 maart 2020. La Primavera luidt eindelijk nog eens echt de lente in, maar meteorologisch gezien is daar niets van te merken. De teambussen moeten in Milaan door een halve meter sneeuw ploegen om de startzone te bereiken. Onderweg vallen hagelstenen ter grootte van golfballen uit het zwerk. Zuidelijker heeft de aanhoudende neerslag de capi herschapen tot kolkende modderstromen, terwijl een stormwind van 11 Beaufort reusachtige golven over de anders zo pittoreske Ligurische wegen doet slaan. 

Maar terwijl de Italiaanse overheid de bevolking aanmaant om veilig binnen te blijven, geeft de UCI geen kik. Dus gaat Patrick Lefevere aan het brommen: ‘Coureurs zijn geen beesten. Mijn renners zullen starten om een boete te ontlopen, maar stappen zo snel mogelijk af.’

Een Israëliër, een Eritreeër en een obscure Italiaan bewijzen driehonderd kilometer lang dat flandriens al lang niet meer alleen uit de Vlaamse klei zijn ontsproten, maar op de Capo Berta steken de tenoren voor het eerst hun bevroren neus aan het venster. Het is te zeggen: ene Mathieu van der Poel demarreert. ‘Te vroeg’, zegt de commentator instinctief, waarop zijn co-commentator hem fijntjes herinnert aan de Amstel Gold Race van vorig jaar, waarop de commentator op zijn beurt oorverdovend zwijgt – hij wordt nu eenmaal niet graag gecorrigeerd. Hoe dan ook, vroeger dan ooit ontstaat een elitekopgroep met alle tenoren.

In een bocht in de afdaling van de Cipressa blijft Wout van Aert haperen aan een wapperend twijgje van een cipres. In zijn (gelukkig onschuldige) val sleurt hij Gianni Moscon mee. Net wanneer die Van Aert te lijf wil gaan met zijn fiets, kukelt een veel grotere afgerukte tak op zijn hoofd. Daar is werkelijk niemand rouwig om.

Yorkshire indachtig rijdt Van der Poel rond met een twintigtal Mars-repen in zijn achterzakje, maar het mag niet baten. De Nederlander neemt zoveel kopwerkhooi op zijn vork dat hij al in de eerste decameters van de Poggio een pijnlijke parcheggio te berde brengt. 

Plots dartelt Julian Alaphilippe naar voren. Heeft de grillige Fransman de richtlijn van zijn baas genegeerd, of maakt deze verrassende aanwezigheid deel uit van een ‘dubbele agenda’ bij Quick-Step? In de afdaling krijgt hij het gezelschap van collega-kamikaze Vincenzo Nibali, waarna het duo elkaar de vernieling in kijkt: hergroepering onder de vod.

Philippe Gilbert onderneemt een wanhoopspoging om een vijfde monument op zijn naam te schrijven. Voor een tv ergens in het Meetjesland slaakt Roger De Vlaeminck een zucht van opluchting wanneer Gilbert op honderd meter van de finish voorbijgezoefd wordt door Peter Sagan. 

Die waant zich zegezeker en doet een Zabelke: net wanneer hij zijn armen ten hemel richt, duikt in zijn linkerooghoek nog een jumpend voorwiel op. Het is Oliver Naesen. En ik ben zottecontent.’

Van het bovenstaande hadden we met z’n allen getuige kunnen zijn. Maar het heeft niet mogen zijn. Net zomin als van Sep die eindelijk de Ronde wint. Toen ik het nieuws van de afgelasting vernam, vloekte ik zo hard binnensmonds dat ik buitensmonds begon te hoesten. In een pavloviaanse reflex bracht ik mijn elleboog naar mijn mond, waardoor de schouderspier die me al weken zeurende pijn berokkende het alsnog begaf en ook mijn eigen voorjaar naar de vaantjes was. Klotevirus, sakkerde ik aanvankelijk vol zelfbeklag. Maar toen dacht ik aan die arme Italianen, die al weken in lockdown zitten bij hun niet-schoolgaande kinderen, die niet kunnen gaan werken, hun spaargeld moeten aanboren en de oudjes om hen heen zien bezwijken. Die hebben grotere zorgen dan een geschrapte klassieker of een geknapte schouder. En terecht. Laten wij ons ook zorgen maken, en zorgen voor elkaar. Koers is maar koers.

De Koperen Kogel