30/04/20 Filosofietsen (Cycling.be)

Het is Palmzondag. Dat ik dat weet, heb ik te danken aan mijn katholieke opvoeding. Ik herinner me zelfs nog dat Palmzondag de dag was waarop Jezus op een ezeltje zijn blijde intocht in Jeruzalem maakte. Een uitzinnige massa onthaalde hem als een koning. Gelukkig was er toen geen pandemie aan de gang, bedenk ik, of niemand had hem door de straten zien sjokken. Dat had hem de daaropvolgende week wel veel miserie bespaard, want niet iedereen was gediend met die nieuwe populaire profeet. Maar aan de andere kant: dan hadden we zo’n tweeduizend jaar later wellicht ook geen Pasen gevierd.

Excuus voor deze vreemde gedachtegang, maar ik heb simpelweg veel tijd om te mijmeren. Ook op de fiets, want het moet gezegd: we mogen dezer dagen niet veel meer, maar aan onze vélo raken de Belgische politici en virologen niet. Uit respect voor ons koers-DNA? Of uit schrik voor een volksopstand? Wat er ook van zij, ook ik trek er op deze uitzonderlijk zonnige Palmzondag op uit. In mijn eentje, vastberaden om niet dichter dan een anderhalve meter in de buurt te komen van collega-wielertoeristen.

Mission impossible, blijkt al snel. Na tien minuten staak ik mijn poging om alle andere fietsers te tellen – ik zit dan aan 184. Mogelijk heb ik per ongeluk die ene rollerbladester meegeteld, maar er was ook een tandem bij en die heb ik maar als één geteld. Dus dat heft elkaar op. Qua social distancing is zo’n tandem trouwens echt wel uit den boze, al ga ik ervan uit dat het om twee levenspartners ging. Dan is het blijkbaar oké om elkaars zweet, snot, speeksel en eventuele spijsverteringsdampen in te slikken of in te ademen.

Maar wie zegt dat ik op een overbevolkt jaagpad of smal Kempisch boerenwegje niet hetzelfde risico loop? De meesten zijn braafjes alleen of per twee onderweg, maar wat als iemand die ik op het punt sta in te halen (dat gebeurt, jawel!) of me net voorbijgesjeesd is (dat gebeurt helaas even vaak) zijn neus- of mondholte ledigt en ik door die onwaarneembare doch potentieel ongezonde substanties pedaleer?

‘Zo mag je niet denken, Thijs’, zeg ik tegen mezelf. (Ook dat, tegen mezelf praten, is een bijwerking van de quarantaine.) Maar denken doe ik sowieso, de overpeinzingen volgen elkaar in sneltempo op.

- Waarvoor ben ik eigenlijk aan het trainen? De 1000 km tegen Kanker zijn afgelast, en wie weet wanneer er weer toertochten mogen worden georganiseerd.

- Kilo’s verliezen kan een doel op zich zijn. Voor mij, en voor al die nog vlezigere collega’s die ik tegenkom. Maar wat als de restaurants weer open mogen? Dan vreten we ons – uit solidariteit met de getroffen horeca, uiteraard – in een mum van tijd weer vol, toch?

- Hoe kan ik in deze platte Kempen überhaupt mijn klimmerskuiten testen? Op de brug over de E34 tussen Pulderbos en Zoersel? Of op de brug op de terugweg, tussen Wechelderzande en Vorselaar? Ik hunker naar de Ardennen – Vlaams of Waals, dat maakt me niks uit.

- Wie zijn al die mensen toch? Ik rijd rond in een straal van 15 kilometer rond mijn huis en heb nog geen enkel bekend gezicht gezien… Misschien zijn we gewoon met te veel op deze aardbol. En is dit virus een soort middelvinger van Moeder Natuur.

- Weinig auto’s wel. En nog minder vliegtuigen. De planeet heeft hier deugd van, zoveel is duidelijk, en wij leren het groen weer appreciëren. Hopelijk trekken we hier onze lessen uit…

‘En? Hoe was het?’ vraagt mijn vrouw wanneer ik thuiskom. ‘Je hoofd wat kunnen leegmaken?’

Ik zucht diep en deel haar mijn besluit mee: ‘Met deze vrijwel onbeperkte fietsvrijheid kan het naar mijn gevoel twee kanten uitgaan. Ofwel komen we met z’n allen veel gezonder uit deze crisis omdat lichaamsbeweging in de buitenlucht onze enige ontsnapping/ontspanning is. Ofwel wordt het massale wielertoerisme-op-een-zakdoek de oorzaak van een nieuwe catastrofale opstoot.’ Ik klink zowaar als een profeet. De volgende keer moet ik echt alleen mijn benen pijnigen.

De Koperen Kogel