09/09/20 Poggio (Cycling.be)

Als er één voordeel was aan die ellendig lange eerste lockdown, dan was het wel de herontdekking van het begrip ‘avond’. 

Op pre-coronaweekdagen zagen de uren tussen 16u en 22u er namelijk als volgt uit: ouder A gaat zoon 3 (10 jaar) van school halen, schotelt hem een vieruurtje voor, fietst samen met hem naar de voetbaltraining en in z’n eentje terug naar huis, alwaar ouder B intussen een avondmaal op tafel heeft getoverd voor zonen 1 en 2 (15 en 13), van wie de oudste door ouder A of B met de auto naar zijn verderop gelegen voetbalclub wordt gebracht, zij het pas nadat eerst twee andere jongens uit onze stad zijn opgepikt om mee te rijden. Intussen gaat de andere partner zoon 3 afhalen van de training. Ouders van jeugdvoetballers zijn professionele puzzelaars.

Dankzij het afgelasten van de competitie dienden zich plots hopen tijd aan voor avondlijke activiteiten met het ganse gezin, of een zoon naar keuze. Zo kwam het dat ik op een milde meidag, zo rond halfzeven, aan mijn oudste telg vroeg of hij me wilde begeleiden op een rustig trainingstochtje – ik op mijn racefiets, hij op zijn oerdegelijke stadsfiets.

‘Pfff, ik ben die vlakke Kempische boerenweggetjes zo beu’, hoorde ik de appel niet ver van de boom vallen.

‘En wat als ik je eens meeneem naar een échte helling?’ counterde ik. ‘Heen en terug naar de Poggio in Diest, dat moet nog net lukken voor het donker.’

Dat laatste was een slechts half beredeneerde gok. Zeker, hij beschikt – net als zijn vader op die leeftijd, vóór wat ik ‘De Grote Explosie’ noem – over een pezig, afgetraind tienerlichaam dat op miraculeuze wijze energie kan blijven putten uit de diepste zijner vezels. Anderzijds, net geen zestig kilometer fietsen in tweeënhalfuur, inclusief de beklimming van de gevreesde Poggio? Misschien had ik hem dit keer toch overschat.

Ergens halfweg de heenrit, tijdens de venijnige drietrapsraket in Bergom, bedroeg onze gemiddelde snelheid precies de vereiste 24 km/u en peddelde zoonlief nog honderduit babbelend naast mij. Ofwel was die stadsfiets méér dan oerdegelijk, ofwel had hij stiekem een pakje Dextro Energy doorgeslikt. Ofwel – dat was natuurlijk ook een optie – was hij gewoon écht goed. Ik begon mijn eerdere waarschuwingen over die vreselijke beklimming in het Diestse Grasbos te relativeren.

‘Goh, misschien heb ik wel overdreven, hoor. Bij mij doet hij elke keer wel wat pijn, maar een lichtgewicht als jij vindt het straks misschien een dikke scheet in een fles.’

Dat had ik beter niet gezegd. Een halfuur later reed hij in zijn allerzwaarste versnelling het bruggetje over het spoor op. Gezwind, het moet gezegd, maar na de bocht naar links keek hij omhoog en klonk het al kurkdroog: ‘Shit.’ En na de tweede bocht, op het steilte stuk, was de parcheggio op de Poggio een feit. Toch sleurde hij op pure wilskracht zijn plots wel erg logge tweewieler de berg op, en daarna ook nog dat smerige uitlopertje.

Eenmaal uitgeblazen was hij een belangrijke levensles rijker: ‘Amai, die coureurs zijn echt wel straffe kerels.’

Ik dacht: ‘En dit is nog maar een proper geasfalteerd puistje in het Hageland, en geen Kwaremont vol schots en scheve kasseien noch een Mont Ventoux van 22 kilometer lang.’

Maar ik zei: ‘Jij bent ook een straffe kerel.’

Dat meende ik. Toen hij zich er de hele terugweg lang luidop over bleef verbazen hoe snel profrenners dit soort verschrikkelijke hellingen op vlamden, zelfs meerdere op een dag, voelde ik dat hij dat diep vanbinnen ook wilde kunnen. We kwamen trouwens netjes voor het donker thuis. 

‘Hij is geschrokken en heeft afgezien,’ zei ik voor het slapengaan aan mijn vrouw, ‘maar dat ventje kan verdorie hard met ne velo rijden. Ware het niet van die voetbal…’

Tweeënhalve maand later. Ene Wout van Aert, die we tijdens onze avondlijke fietstochten weleens tegenkomen op een vlak Kempisch boerenweggetje, vlamt Julian Alaphilippe achterna op de échte Poggio en wint in Sanremo. Ik kijk opzij naar mijn zoon.

Misschien moet ik hem toch eens een racefiets kopen.

De Koperen Kogel