16/11/20 Een zaterdagochtend op een zondagavond

Zes jaar geleden gebeurde het regelmatig dat ik op zaterdagochtend, vier keer een kwartier lang, mijn hart vasthield.

Mijn oudste zoon speelde nog 5 tegen 5 en was gebombardeerd tot de ‘staart van het vliegtuig’. In die hoedanigheid stond hij in voor de opbouw van het spel, want de trainer wilde zijn ploeg van achteren uit leren uitvoetballen, zonder de bal blind weg te keilen. Mijn zoon moest dus steevast rechts (of heel uitzonderlijk links) naast de keeper gaan postvatten, de bal vragen en die vervolgens langs de zijlijn naar de ‘vleugel’ spelen (of - een moeilijkere en riskantere variant - diagonaal naar de ‘kop’).

Nobel idee van de (overigens uitstekende) trainer. Maar dit systeem had drie valkuilen. Eén: de vleugels stonden op zaterdagochtend soms te slapen, waardoor ze achter hun mannetje bleven staan en onbereikbaar waren. Twee: de keeper was goed op zijn lijn, maar voetballend geen Thibaut Courtois. En drie, het grootste euvel: na drie keer had een schrandere tegenstander het stereotiepe plannetje door, waardoor zoonlief telkens opnieuw meteen in het nauw werd gedreven. En mijn vaderlijke billen keer op keer werden dichtgeknepen.

Zo’n zaterdagochtend herbeleefde ik gisteravond opnieuw, op een zondagavond dan nog. Vanaf een uur of kwart voor tien. Had ik op voorhand geweten dat Martínez de tweede helft van een interland tegen Engeland zou aanwenden om er een training ‘uitverdedigen onder druk’ van te maken, dan had ik na die eerste helft wel weggezapt. Puitonnozel werd ik van dat ellendige heen- en weergetik in de eigen zestien, soms zelfs tot in de kleine carré. Gelukkig dat Kane en Grealish (de Neymar van Birmingham, vanwege zijn lachwekkende kapsel en zijn vallende ziekte) zelf in slaap leken gewiegd op hun momenten van de waarheid.

Ik had me nog zo verheugd op mijn eerste echte tv-voetbalavond in tijden. Eindelijk speelden de Rode Duivels nog eens een wedstrijd die ze bij voorkeur móésten winnen, tegen een deftige tegenstander dan nog. Ik nam me voor me niet te ergeren aan het feit dat voetballers zich na een doelpunt nog altijd mogen aflebberen terwijl ik mijn eigen moeder niet eens mag omhelzen, en hoopte dat mijn corona-gerelateerde sportlethargie (een zelden vermeld symptoom, naast het verlies van geur en smaak) in het ijle zou oplossen bij het aanschouwen van onze gouden generatie minus Eden Hazard.

Ik leek op mijn wenken te worden bediend, want al snel stond het 2-0. Uit een afstandsschot en een vrije trap. Gelukkig maar, want de Rode Duivels speelden eigenlijk maar één collectief opgebouwde doelkans bij elkaar, diep in de tweede helft. Pickford-met-de-korte-armpjes redde de poging van Lukaku, die veel eerder al de Rode Duivels had gered met een kopbalsave op de eigen doellijn. Man van de match, dáárdoor. Want anders had ik het nog weleens willen zien.

'We' hebben gisteren gewonnen, ja. Maar ik wil nog altijd het EK winnen. En hoe versla je nog sterkere tegenstanders als je onder druk het aanvallende compartiment niet weet te bereiken? Ik wilde na de rust bijna naar de Cel Vermiste Personen bellen om de verdwijning van Thorgan Hazard en Dries Mertens te melden.

Het kan natuurlijk ook zijn dat de vleugels zelf stonden te pitten en niet aanspeelbaar genoeg waren. Daarvoor zou ik die tweede helft nog eens moeten herbekijken. Maar ik heb wel iets beters te doen. Ik ben tenslotte geen vetbetaalde analist in een nagebootste living. En ik lust geen koffie.

De Koperen Kogel