22/06/21 Kalmte kan u redden. En mildheid.

Bekentenis (en voor wie mij beter kent een open deur): ik ben niet bijster stressbestendig. In periodes als deze, wanneer ik nogal veel werk heb en - niet onbelangrijk - het EK wil volgen, ligt mijn hartslag hoger, mijn prikkelbaarheidsdrempel lager, en mijn zweetproductie loopt de poriën uit.

De remedie komt uit onverwachte hoek. Van de Rode Duivels.

Vroeger, toen ik nog vond dat deze generatie te vroeg de hemel in geprezen werd en niet wars was van enige vedette-allures, had ik me gigantisch opgewonden over drie groepsmatchen met een loomheid die doorgaans aan de dag wordt gelegd door ploegen die de zuipbeker op een cafévoetbaltoernooi ambiëren.

Anno 2021, tegen Denemarken én gisteren ook tegen Finland, voelde ik me gewapend door de zekerheid: ‘Het komt wel goed.’ Ik bleef opvallend zen. Defensief ontpopten Vermaelen en Boyata zich tot volleerde yogi’s. En offensief was het gewoon wachten tot KDB en Big Rom elkaar op transcendentale wijze vonden, of tot karma zijn werk deed en Doku beloonde voor zijn tomeloze drang naar voren.

Zeker, het was erg lang wachten. En toen Lukaku’s eerste goal werd afgekeurd omdat hij toevallig schoenmaat 48 heeft, vond ik de VAR heel even een k*nker-t*fus-kl*te-str*nt-ter*ng-k*t-systeem. (Ik pleit voor een tijdslimiet om een beslissing te nemen, mijn geduld is immers niet eindeloos!) Toch zei ik meteen daarna: ‘Nu gaat Lukaku zéker nog scoren.’ En ik kreeg zowaar gelijk. Het kwam goed.

Vooral een onverwoestbare mildheid maakte zich van mij meester. Voor de Finnen, die zo slecht zijn dat ze voetbal noodgedwongen herleiden tot een metselcursus maar me vergevingsgezind stemden dankzij die ene breed lachende gozer die (terecht) niet leek te snappen hoe hij in hemelsnaam op een EK was beland.

Voor Denayer, aan wie ik zou willen zeggen hoeveel ik van ‘buitenkantje voet’ houd. Voor Chadli, voor eeuwig en een dag de verpersoonlijking van het mantra ‘Voetbal is emotie’. Voor Eden Hazard, die een van de weinige spelers op dit EK is die zich lijkt te herinneren wat een dribbel is, al laat zijn geheugen hem soms nog wat in de steek.

En dan moest Doku nog zijn interview geven.

“Ik zie die gasten graag. Echt allemaal”, zei de dierbare vriend die op bezoek was gekomen. En hoewel ik het op dat moment nog niet uitgesproken kreeg, durf ik het na een nachtje slapen te beamen: “Awel, ik ook.” Het zijn stuk voor stuk sympathieke sjotters. Ze zijn van ons. En ze zijn er voor ons.

Komt het op dit EK helemáál goed? Gaan ze eindelijk nog eens een écht goeie ploeg verslaan (want laat ons wel wezen, die 2-1 tegen Brazilië blijft wat dat betreft een te eenzaam hoogtepunt)? Ik schakel de ratio uit en laat het filosofisch op me afkomen. Maar mildheid en dankbaarheid zullen zegevieren. Daar is er al zo weinig van dezer dagen.

Afronden doe ik met de wijze woorden van Leandro Trossard: ‘Ne goeien dag!’

De Koperen Kogel